Gevangenis, binnenkant

Europees Hof: schending artikel 5 EVRM bij toepassing voorlopige hechtenis in Nederland

Vandaag heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) Nederland in maar liefst drie zaken veroordeeld. De motivering van de voorlopige hechtenis voldeed namelijk niet aan de eisen van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Moet daarom de praktijk van het voorarrest in Nederland op de schop? Cassatiespecialist Dirk Daamen laat er zijn licht over schijnen in deze snelle analyse.

De EHRM arresten: Hasselbaink, Maassen en Zohlandt

Voorlopige hechtenis in Nederland

Het voorarrest kan in Nederland bestaan uit de volgende fasen:

  • Ophouden voor onderzoek – 6 of 9 uur (de nacht telt niet mee), op bevel van de hulpofficier van justitie (een politiefunctionaris)
  • Inverzekeringstelling – 3 dagen, op bevel van de hulpofficier van justitie, met nog eens 3 dagen te verlengen op bevel van de officier van justitie
  • Bewaring – 14 dagen, op bevel van de rechter-commissaris
  • Gevangenhouding – tot 90 dagen, op bevel van de raadkamer van de rechtbank
  • Gevangenhouding door de zittingsrechter – zolang er maar elke 3 maanden een zitting plaatsvindt loopt de voorlopige hechtenis automatisch door totdat de einduitspraak definitief is geworden, tenzij deze eerder wordt opgeheven

Vanaf de bewaring heet het voorarrest ‘voorlopige hechtenis’ (art. 133 Wetboek van Strafvordering). Tussendoor kan de rechter het voorarrest opheffen. Naast opheffing is ook schorsing van de voorlopige hechtenis (onder voorwaarden) mogelijk.

Art. 5 EVRM: eisen aan voorlopige hechtenis

Artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden regelt het Recht op vrijheid en veiligheid. Het gaat over verschillende situaties waarin de staat iemand van zijn vrijheid mag beroven. Één daarvan is voorlopige hechtenis in strafzaken. De delen van art. 5 EVRM die zien op het voorarrest zijn:

“1. Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:
(..) c. indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan; (..)
3. Een ieder die is gearresteerd of gedetineerd, overeenkomstig lid 1.c van dit artikel, moet onverwijld voor een rechter worden geleid of voor een andere magistraat die door de wet bevoegd verklaard is rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene ter terechtzitting.
.4 Een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is.
5. Een ieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie in strijd met de bepalingen van dit artikel, heeft recht op schadeloosstelling.”

De zaken

Hasselbaink tegen Nederland

Hasselbaink zat in voorarrest omdat justitie hem verdacht van gijzeling, wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing. De dag nadat getuigen waren gehoord, vroeg Hasselbaink om opheffing van de voorlopige hechtenis. Hij vond namelijk dat door de nieuwe verklaringen de verdenking nog onvoldoende sterk was om hem langer vast te houden. De rechtbank behandelde dat verzoek na 22 dagen. De rechtbank wees het verzoek af. Daarbij ging de rechtbank helemaal niet in op de verdenking en de betekenis daarvoor van de nieuwe verklaringen. Het hoger beroep daartegen werd 26 dagen later behandeld. Ook het hof wees het verzoek af zonder in te gaan op de verdenking.

Volgens het EHRM hadden de rechtbank en het hof in hun beslissingen wel moeten ingaan op de verdenking. Hierdoor zijn de beslissingen onvoldoende gemotiveerd. Art. 5 lid 3 EVRM is geschonden.

Daarnaast heeft de rechtbank er met 22 dagen te lang voor nodig gehad om op het verzoek van Hasselbaink te beslissen. Dat is een schending van art. 5 lid 4 EVRM. Omdat dit al een verdragsschending is, gaat het hof niet in op de duur van de beroepsprocedure die 26 dagen duurde. Het Europese hof kent Hasselbaink 1300 euro schadevergoeding toe.

Maassen tegen Nederland

Maassen belandde in voorarrest op verdenking van mensenhandel. Hij zou een meisje van 15 seksueel hebben uitgebuit. De raadkamer van de rechtbank beval de gevangenhouding en wees het verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis af. Het gerechtshof verwierp het beroep tegen deze beslissing. Ook latere verzoeken om opheffing of schorsing van het voorarrest werden afgewezen. Telkens gebruikte de rechter slechts een standaardformulering. De rechter ging dus niet in op de specifieke omstandigheden van het geval. De voorlopige hechtenis was onder andere gebaseerd op de grond dat de rechtsorde door het feit ernstig was geschokt (de schokgrond). Het voorarrest duurde uiteindelijk ruim 9 maanden.

Het EHRM vindt dat de schokgrond in het oorspronkelijke bevel gevangenhouding nog wel voldoende gemotiveerd was. Maar in alle latere beslissingen was dat niet meer zo. Er ontbrak namelijk een toelichting waarom er maatschappelijk onrust zou ontstaan bij opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis van Maassen. Net als in de zaak Hasselbaink benadrukt het EHRM dat het erom gaat welke argumenten er in de beslissing zelf staan. De argumenten die ter zitting zijn uitgewisseld geven de mening van de partijen weer en kunnen niet gelden als motivering van de beslissing van de rechter. Ook in deze zaak vindt het Europese hof dat art. 5 lid 3 van het Europees mensenrechtenverdrag is geschonden. Het Europese hof kent Maassen 1600 euro schadevergoeding toe.

Zohlandt tegen Nederland

Zohlandt kreeg te maken met een vervolging wegens poging tot zware mishandeling en verboden wapenbezit. Zijn voorarrest was enkel gebaseerd op gevaar voor herhaling (recidive). Hij probeerde meermaals zijn voorlopige hechtenis opgeheven te krijgen. Daartoe voerde hij verschillende argumenten aan tegen het recidivegevaar. De rechtbank en het hof lieten het voorarrest doorlopen. In de beslissingen volstonden de rechters met een verwijzing naar de oorspronkelijke bevelen tot bewaring en gevangenhouding. De rechters gingen dus niet in op de (nieuwe) argumenten uit de opheffingsverzoeken.

Na Hasselbaink en Maassen verbaast het niet dat het EHRM ook hier art. 5 lid 3 EVRM geschonden acht.

Conclusie: gevolgen voor de voorlopige hechtenis praktijk in Nederland

De arresten van vandaag geven stof tot nadenken voor de Nederlandse rechters die over de voorlopige hechtenis oordelen. Zij zullen namelijk hun beslissingen beter moeten motiveren. Zeker als een verdachte om opheffing van zijn voorarrest vraagt en nieuwe argumenten aanvoert is het opletten geblazen. Dan zal de rechter die argumenten moeten bespreken in zijn beslissing. Dus mag de rechter niet langer volstaan met een verwijzing naar de ernstige bezwaren en gronden zoals toegelicht in een voorgaande beslissing. Dat gebeurde tot nu toe helaas maar al te vaak. En dat gaf de verdachte dan weer het gevoel dat de beslissing over zijn vrijheid slechts een hamerstuk was.

Daarnaast blijkt uit de zaak Hasselbaink dat de rechter in elk geval binnen 22 dagen op een verzoek om opheffing voorlopige hechtenis moet beslissen.

Daamen, advocaten. kan je bijstaan in EHRM-zaken, vooraL als de klachten te maken hebben met strafrecht of detentierecht. Wij werken in het hele land en ook pro deo. Wil je een klacht indienen bij het Europese hof? Of wil je advies of bijstand in je lopende strafzaak? Neem dan gerust vrijblijvend contact op met het kantoor. Wij staan je graag te woord.

Lees ook:

EHRM over Selectie aan de Poort in Cassatie

Prejudiële vragen ook bij EHRM vanaf 1 augustus

ERHM gaat niet-ontvankelijkheidsbeslissingen meer toelichten


© 2017-2021 Daamen, advocaten. | Disclaimer | Sitemap | Links | Beheer